Tag Archive | geschiedenis

Leider (3/3)

(vorige pagina)

Zo ging de eerste dag voorbij, en meer dagen volgden met hetzelfde succes. Er gebeurde niets echt belangrijk, enkel bijzaken: ze vielen in een greppel, dan een ravijn; ze struikelden over hagen en braambesstruiken; ze stapten op doornen; velen braken hun armen of benen; sommigen werden gekwetst aan hun hoofd. Maar al deze kwellingen werden doorstaan. Een paar oude mannen werden achtergelaten op de weg om te sterven. “Ze waren gestorven als ze thuis waren gebleven, laat staan op de weg!” zei de woordvoerder om de anderen aan te moedigen om verder te gaan. Een paar kleinere kinderen, één tot twee jaar oud, stierven ook. De ouders onderdrukten stoicijns hun hartenzeer, omdat het Gods wil was. “En hoe kleiner de kinderen, hoe minder de pijn. Als ze jonger zijn, is er minder rouw. God wille dat ouders nooit hun kinderen verliezen wanneer ze van de leeftijd zijn om te trouwen. Als dit hun lot is, dan is het beter dat de kinderen jonger sterven. Dan is het verdriet nog niet zo groot!” troostte de woordvoerder hen opnieuw. Sommigen bonden doeken om hun hoofden en deden koude kompressen op hun blauwe plekken. Anderen droegen hun armen in draagdoeken. Ze waren allemaal haveloos en beschramd. Hun kleren waren gescheurd, maar niettemin gingen ze blij verder. Dit allemaal was makkelijker doorstaan geweest hadden ze maar niet zoveel honger gehad. Maar ze moesten blijven verder gaan.

Op een dag gebeurde er iets meer significant.

De leider liep vooraan met de dapperste mannen rond hem heen. (Twee van hen waren verdwenen, en niemand wist waar ze waren. Er hing in het algemeen het geloof dat ze hun doel hadden verraden en dat ze waren gevlucht. Eén keer zei de woordvoerder iets over hun schaamtevolle verraad. Maar een paar geloofden dat de twee onderweg gestorven waren, maar ze zeiden hier niets over om geen moeilijkheden op te wekken.) De rest van de groep liep achter hen. Plots was er een enorm grote en diepe, rotsachtige kloof – een echte afgrond. De helling was zo steil dat ze het niet durfden om nog een stap vooruit te zetten. Zelfs de dappersten stopten meteen en keken naar de leider. Fronsend, diep in gedachten met zijn hoofd naar beneden, stapte hij dapper vooruit terwijl hij zijn wandelstok voor zich tikte, eerst naar links, dan naar rechts, op zijn karakteristieke manier. Velen zeiden dat het hem meer bewonderenswaardig deed lijken. Hij keek niet naar iemand noch zei hij iets. Op zijn gezicht was er geen verandering van uitdrukking of zelfs een zweem van angst terwijl hij dichter en dichter bij de afgrond kwam. Zelfs de meest stoutmoedige mannen werden zo bleek als de doden, maar niemand durfde de moedige en wijze leider te waarschuwen. Nog twee stappen en hij was aan de rand. Met ziekelijke angst en hun ogen wijd open stonden ze allen te trillen. De dapperste mannen wilden net de leider tegenhouden, zelfs al betekende dit een schending van de discipline, toen hij één, twee stappen deed en het ravijn intuimelde. Er ontstond verbijstering, geween, geschreeuw; angst kreeg de bovenhand. Sommigen begonnen te vluchten.

– Wacht daar, broeders! Waarom zo een haast? Is dit hoe jullie jullie woord houden? We moeten deze wijze man volgen want hij weet waar hij mee bezig is. Hij zou gestoord zijn om zichzelf te ruineren. Voorwaards, achter hem! Dit is het grootste en misschien het laatste gevaar, het laatste obstakel. Wie weet? Misschien vinden we aan de andere kant van dit ravijn een prachtig, vruchtbaar lang dat God voor ons bedoeld heeft. Vooruit! Zonder opoffering komen we nergens! – zo ging het advies van de woordvoerder en ook hij nam twee stappen vooruit en verdween in het ravijn. De dappersten volgden, en dan sprong iedereen erin.

Er kon gehuil, gekreun, getuimel, gejammer gehoord worden op de steile helling van deze grote kloof. Men zou gezworen hebben dat er niemand levend vanaf kwam, laat staan ongeschonden en in één stuk, maar menselijk leven is vasthoudend. De leider was ongebruikelijk fortuinlijk. Hij bleef hangen aan struiken terwijl hij viel dus hij was niet zo gewond. Hij slaagde erin zichzelf los te trekken en eruit te klimmen. Terwijl er geween, gejammer en gehuil klonk van beneden zat hij er roerloos bij, peinzend stil. Een paar waren gehavend en boos en begonnen hem uit te schelden maar hij letter er niet op. Zij die gelukkig zich vast hadden kunnen houden aan een struik of boom terwijl ze vielen begonnen met veel moeite er proberen uit te klimmen. Sommigen hadden barsten in hun hoofden zodat bloed over hun gezicht liep. Niemand was ongehavend buiten de leider. Plots fronsten ze allemaal naar hem en kreunden in pijn maar hij tilde zelfs niet zijn hoofd op. Hij was stil en nam de broedende pose van een wijsgeer aan!

Er ging wat tijd voorbij. Het aantal reizigers werd kleiner en kleiner. Elke dag eiste zijn tol. Sommigen verlieten de groep en keerden terug.

Van het grote aantal dat vertrokken was, bleven er maar twintig over. Hun uitgeteerde, vermoeide gezichten vertoonden tekenen van wanhoop, twijfel, vermoeidheid en honger, maar niemand zei een woord. Ze waren zo stil als hun leider en bleven ploeteren. Zelfs de bezielde woordvoerder schudde zijn hoofd wanhopig. De weg was echt moeilijk.

Hun aantal werd elke dag kleiner tot er maar tien overbleven. Met moedeloze gezichten kreunden en klaagden ze enkel in plaats van met elkaar te praten.

Ze leken meer op kreupelen dan mannen. Sommigen hadden krukken. Sommigen hadden hun armen in draagdoeken vastgebonden rond hun nek. Rond hun handen waren talloze verbanden en kompressen gebonden. Zelfs al waren ze bereid nog dingen op te offeren, dan konden ze niet want er was zo goed als geen plaats op hun lichamen voor nieuwe wonden.

Zelfs de sterksten en dappersten onder hen hadden alle hoop laten varen maar nog ploeterden ze verder; dat wil zeggen, op één of andere manier hinkten ze verder met veel moeite, klagend en met veel pijn. Wat anders konden ze doen als ze niet terug konden? Zovele opofferingen om dan nu de reis af te blazen?

Schemering brak aan. Mankend met krukken zagen ze plots dat de leider niet meer voor hen liep. Nog één stap en ze zouden weer in een ravijn duiken.

– Oh, mijn been! Oh, mijn hand! – weerklonk het geklaag en gekreun. Eén zwakke stem vervloekte zelfs de waardige leider maar werd dan stil.

Toen de zon op kwam, zat de leider daar, hetzelfde als op de dag dat hij gekozen werd. Zijn uiterlijk was compleet niet veranderd.

De woordvoerder klom uit het ravijn, gevolgd door twee anderen. Misvormd en bloederig draaiden ze zich om om te zien hoeveel anderen er nog over waren, maar zij waren de enigen. Hun harten vulden zich met doodsangst en hopeloosheid. De regio was onbekend, heuvelachtig, rotsachtig – nergens waren er paden. Twee dagen eerder hadden ze een weg gevonden, maar die hadden ze achter gelaten. Zo had de leider hen geleid.

Ze dachten na over de vele vrienden en familieleden die waren gestorven op deze grillige reis. Een triestheid sterker dan de pijn in hun kreupele ledematen overviel hen. Ze hadden hun eigen verwoesting gezien met hun eigen ogen.

De woordvoerder ging naar de leider en begon te spreken met een vermoeide, trillende stem vol met pijn, hoop en verbittering.

– Waar gaan we nu naartoe?

De leider was stil.

– Waar neemt u ons mee naartoe en waar heeft u ons naartoe gebracht? Wij hebben onszelf en onze families in uw handen geplaatst en we volgden u, lieten onze huizen en de graven van onze voorvaderen achter in de hoop dat we onszelf konden redden van de ondergang in dat dorre land. Maar u heeft ons geruïneerd op een ergere manier. Er waren tweehonderd families achter u en zie hoeveel er nu over zijn!

– Je bedoelt dat niet iedereen hier is? – mompelde de leider zonder zijn hoofd op te tillen?

– Hoe kunt u zo’n vraag stellen? Kijk op en zie het! Tel hoeveel er nog over zijn van ons op deze ongelukkige reis! Kijk naar hoe gehavend we zijn! Het zou beter zijn om gestorven te zijn dan om kreupel te zijn zoals nu.

– Ik kan niet naar je kijken!

– Waarom niet?

– Ik ben blind.

Een doodse stilte volgde.

– Bent u uw zicht verloren tijdens de reis?

– Ik ben blind geboren!

The three hung their heads in despair.

De drie overgeblevenen hingen hun hoofd neer in wanhoop.

De herfstwind blies sinister door de bergen en bracht met zich mee de verschrompelde bladeren van de bomen. Een mist bedekte de heuvels, en door de koude, nevelige lucht fladderde de vleugels van raven. Er weerklonk een onheilspellend gekras. De zon was verstopt achter de wolken, die verder en verder voorbij bliezen.

De drie overgeblevenen keken naar elkaar in pure horror.

– Waar kunnen we nu naartoe gaan? – mompelde er één ernstig.

– We weten het niet!

 

In Belgrado, 1902
Voor het “Radoje Domanovic” Project vertaald door Ella van Diessen, 2020

Leider (2/3)

(vorige pagina)

De volgende dag kwam iedereen die de moed had om een lange reis te ondergaan samen. Meer dan tweehonderd families kwamen naar de afgesproken plek. Maar enkele families bleven thuis om te letten op het oude thuisland.

Het was inderdaad triest om te kijken naar deze massa van miserabele mensen wiens tegenslag hen had gedwongen het land waarin ze geboren waren en waar de graven van hun voorvaderen liggen te verlaten. Hun gezichten waren ingevallen, versleten en verbrand door de zon. Het lijden van zovele jaren zwoegen toonde de impact op hen en drukte een beeld van miserie en bittere wanhoop. Maar op dit exacte moment was er een eerste sprankje hoop – gecombineerd met heimwee, zeker. Een traan vloeide het gerimpelde gezicht van menig oude man af die wanhopig zuchtte en zijn hoofd schudde met een schijn van kwaad voorgevoel. Hij zou liever blijven voor een tijd zodat hij ook zou kunnen sterven tussen deze stenen in plaats van te zoeken naar een beter thuisland. Veel vrouwen klaagden openlijk en zeiden hun vaarwel aan hun gestorven geliefden wiens graven ze achter lieten.

De mannen probeerden dapper te blijven en schreeuwden – Wel, wil je blijven verhongeren in dit verdomde land en blijven leven in deze krotten? – Eigenlijk zouden ze liefst van al de hele vervloekte regio met zich meenemen als dat mogelijk was.

Er waren de gebruikelijke geluiden en schreeuwen zoals in elke massa mensen. Zowel mannen als vrouwen waren rusteloos. De kinderen weenden in wiegjes op de ruggen van hun moeders. Zelfs het vee was woelig. Er was niet veel vee, een kalf hieren daar en dan een slank, harig paard met een groot hoofd en dikke benen waarop ze oude tapijten, tassen en zelfs twee zakken over het pakzadel laadden, zodat het arme dier het gewicht amper kon dragen. Toch bleef het recht en hinnikte het van tijd tot tijd. Anderen waren ezels aan het beladen; de kinderen trokken aan de leibanden van honden. Pratende, roepende, vloekende, schreeuwende, wenende, blaffende, hinnikend – vertrokken ze allemaal. Zelfs een ezel balkte een paar keer. Maar de leider zei geen woord, alsof de hele affaire niets met hem te maken had. Een echte wijze man!

Hij zat er gewoon na te denken in stilte, met zijn hoofd naar beneden gericht. Nu en dan spuugde hij; dat was alles. Maar door zijn vreemde gedrag groeide zijn populariteit zoveel dat ze allen door vuur en water, zoals ze zeggen, waren gegaan voor hem. De volgende gesprekken konden worden gehoord:

– We zouden blij moeten zijn dat we zo een man gevonden hebben. God verhoede dat we zonder hem zouden zijn gegaan! We zouden gestorven zijn. Hij heeft echte intelligentie, ik zeg het je! Hij is stil. Hij heeft nog geen woord gezegd! – zei er iemand terwijl hij naar de leider keek met respect en trots.

– Wat moet hij zeggen? Diegenen die veel praten denken niet veel. Een slimme man, dat is zeker! Hij peinst enkel en zeker niks, – voegde een ander toe, en ook hij keek naar de leider met bewondering.

– Het is niet makkelijk zoveel mensen te leiden! Hij moet zijn gedachten verzamelen omdat hij veel werk te doen heeft, – zei de eerste opnieuw

Dan was het tijd om te vertrekken. Ze wachtten echter even, om te zien of iemand anders van gedachten zou veranderen en zou meekomen met hen, maar aangezien er niemand kwam, konden ze niet langer treuzelen.

– Zouden we niet vertrekken? – vroegen ze aan de leider.

Hij stond op zonder iets te zeggen.

De dapperste mannen groepeerden zich meteen rond hem voor het geval dat er gevaar of een noodgeval zou zijn.

De leider nam een paar stappen, fronsend en met zijn hoofd naar beneden, terwijl hij zijn wandelstok voor zich uit zwaaide op een waardige manier. Het gezelschap bewoog zich met hem mee en riep enkele keren, “Lang leve onze leider!” Hij nam nog enkele stappen en botste tegen het hek voor het gemeentehuis. Daar stopte hij; dus stopte de groep ook. De leider nam een stap terug en tikte zijn wandelstok tegen het hek verscheidene keren.

– Wat wilt u dat we doen? – vroegen ze.

Hij zei niets.

– Wat zullen we doen? Breek het hek af! Dat is wat we moeten doen! Zien jullie niet dat hij ons toont met zijn wandelstok wat we moeten doen? – riepen zijn die rond de leider stonden.

– Daar is de poort! Daar is de poort! – schreeuwden de kinderen en ze wezen naar de poort die tegenover hen stond.

– Shh, stil, kinderen!

– God help ons, wat gebeurt er? – enkele vrouwen maakte een kruisje.

– Geen woord! Hij weet wat te doen. Breek het hek af!

In een moment was het hek neer, alsof het er nooit had gestaan

Ze gingen voorbij het hek.

Ze waren amper honderd stappen verder toen de leider tegen een grote doornstruik liep en stopte. Met veel moeite slaagde hij er in zichzelf los te trekken en begon dan zijn wandelstok in alle richtingen te tikken. Niemand bewoog.

– En wat is er nu mis? – schreeuwde de achterban.

– Snijd de doornstruik af! – riepen degenen die rond de leider stonden?

– Daar is de weg, achter de doornstruik! Daar is het! – schreeuwden de kinderen en zelfs mensen achteraan?

– Daar is de weg! Daar is de weg! – joelden diegenen rond de leider, hen boos na doend. – en hoe kunnen wij blinden weten naar waar hij ons aan het leiden is? Niet iedereen kan hier bevelen doen. De leider weet de beste en meest directe route. Snijd de doornstruik af!

Ze doken erin om de weg vrij te maken.

– Auw, – riep iemand die een doorn in zijn hand had en iemand anders werd in zijn gezicht geraakt door een braambesstruik.

– Broeders, je krijgt dingen niet voor niets. Je moet moeite doen om succesvol te zijn, – antwoordde de dapperste in de groep.

Ze raakten door de struik na veel moeite en gingen vooruit.

Nadat ze wat verder hadden gelopen, kwamen ze een hoop stronken tegen. Ook deze werden opzij geduwd. Dan gingen ze verder.

Er werd maar weinig vooruitgang geboekt op de eerste dag, want ze moesten meerdere, gelijkaardige obstakels overkomen. En dit alles gebeurde met weinig eten want sommigen hadden enkel gedroogd brood en een beetje kaas terwijl anderen enkel brood had om hun honger te stillen. Sommigen hadden niets. Gelukkig was het zomer, dus ze vonden een fruitboom hier en daar.

Dus, hoewel er na de eerste dag maar een kleine afstand achter hen lag, voelden ze zich zeer moe. Er waren geen grote gevaren en geen ongevallen. Natuurlijk moeten tijdens zo een grote onderneming de volgende zaken als bijkomstig worden beschouwd: een doorn die in het linkeroog van een vrouw vast zat, die ze bedekte met een vochtige doek; één kind huilde en mankte tegen een stronk; een oude man struikelde over een braambesstruik en sloeg zijn enkel om; nadat er gemalen ui op was gedaan onderging hij dapper de pijn en, leunend op zijn wandelstok, hinkte onversaagd vooruit achter de leider. (Om zeker te zijn zeiden sommigen dat de oude man loog over de enkel en dat hij maar alsof deed omdat hij graag terug zou gaan.) Binnen de kortste tijd waren er maar weinigen die geen doorn in hun arm hadden of schrammen op hun gezicht. De mannen ondergingen het allen op heroïsche wijze terwijl de vrouwen het uur waarop ze vertrokken vervloekten en de kinderen weenden, natuurlijk, want ze begrepen niet dat al dit gezwoeg en deze pijn rijkelijk beloond zouden worden.

Tot ieders vreugde en blijdschap was er niets gebeurd met de leider. Om eerlijk te zijn, als we de waarheid moeten vertellen, was hij ook heel erg beschermd, maar nog steeds, de man had simpelweg geluk. Op het einde van het kampvuur op de eerste avond bad iedereen en dankten ze God dat de reis vandaag succesvol was en dat er niets, zelfs niet het kleinste kwaad, de leider was overkomen. Dan sprak er één van de dapperste mannen. Er zaten schrammen op zijn gezicht van een braambessenstruik, maar hij lette er simpelweg niet op.

– Broeders, – begon hij. – De eerste dag van de reis ligt achter ons, dank God. De weg is niet makkelijk, maar we moeten het doorstaan want we weten allemaal dat deze moeilijke weg ons zal leiden naar vreugde. Moge de almachtige God onze leider beschermen van kwaad zodat hij ons met succes kan blijven leiden.

– Morgen verlies ik mijn ander oog ook als de reis verloopt zoals vandaag! – zei er één van de vrouwen met woede.

– Auw, mijn been! – riep de oude man, aangemoedigd door de opmerking van de vrouw.

De kinderen bleven wenen en klagen, en de moeders hadden moeite met hen stil te krijgen zodat men de woordvoerder kon horen.

– Ja, je zult je andere oog verliezen, – riep hij met woede, – en dat je ze allebei mag verliezen! Het is geen grote tegenslag voor één vrouw om haar ogen te verliezen tegenover het grote gemene doel. Schaam je! Denk je nooit aan het welzijn van je kinderen? Dat de helft van ons sterft tijdens deze onderneming! Welk verschil maakt dat? Wat is een oog waard? Welk nut hebben je ogen wanneer er iemand is die ons naar vreugde zal leiden? Moeten we onze onderneming vergeten voor jouw oog en het been van een oude man?

– Hij liegt! De oude man liegt! Hij doet enkel alsof zodat hij terug kan, – weerklonken er stemmen van alle kanten.

– Broeders, wie er niet verder wil, – zei de woordvoerder opnieuw, – laat hen terug gaan in plaats van te klagen en de rest van ons te verstoren. Als het aan mij ligt volg ik deze wijze leider zolang er nog iets van mij over is!

– We zullen allemaal volgen! We zullen hem allemaal volgen zolang we leven!

De leider was stil.

Iedereen keek naar hem en fluisterde:

– Hij is diep in gedachten!

– Een wijze man!

– Kijk naar zijn voorhoofd!

– En altijd aan het fronsen!

– Serieus!

– Hij is dapper! Dat kan je aan hem zien.

– Dat kan je wel zeggen! Hek, stronken, rozen – hij gaat er allemaal door. Hij tikt zijn wandelstok met een somber gezicht, nikszeggend, en je moet raden wat er in zijn gedachten omgaat.

(volgende pagina)

Leider (1/3)

– Broeders en vrienden, ik heb geluisterd naar al jullie toespraken, dus ik vraag jullie om nu naar mij te luisteren. Al onze beraadslagingen en conversaties zijn niets waard zolang we in deze barre regio blijven. In deze zanderige ondergrond en op deze rotsen is er niets in geslaagd te groeien, zelfs toen er jaren met regen waren, laat staan in deze droogte die onze soort nog nooit gezien heeft.

Hoe vaak zullen we samenkomen zoals dit en tevergeefs discussiëren? Het vee sterft zonder eten, en binnenkort zullen wij en onze kinderen ook verhongeren. We moeten een andere oplossing vinden die beter is en meer doordacht. Ik denk dat het beste zou zijn om dit dorre land te verlaten en om de wereld in te trekken om betere en meer vruchtbare grond te vinden, want zo kunnen we simpelweg niet meer leven.

Zodoende sprak een inwoner van een onvruchtbare provincie ooit met een vermoeide stem bij één of andere bijeenkomst. Waar en wanneer het gebeurde is niet belangrijk voor jou of mij, denk ik. Het is belangrijk om te geloven dat het gebeurde in een land lang geleden, en dat is genoeg. Om eerlijk te zijn dacht ik op een bepaald moment dat ik dit hele verhaal verzonnen had, maar beetje bij beetje heb ik mezelf bevrijd van dit nare waanbeeld. Nu geloof ik sterk dat wat ik ga vertellen echt gebeurd is en moet zijn gebeurd ergens ooit en dat ik dit onmogelijk zou verzonnen kunnen hebben.

The luisteraars, met bleke, vermoeide gezichten en lege, sombere, bijna niet begrijpende blikken, met hun handen onder hun riemen, leken terug tot leven te komen bij deze wijze woorden. Ieder was zich aan het inbeelden dat hij in één of ander soort van magisch, paradijselijk land was waar de beloning van slopend werk een rijke oogst was.

– Hij heeft gelijk! Hij heeft gelijk! – fluisterden de afgepeigerde stemmen aan alle kanten.

– Is deze plek dich…t…bij? – een uitgerokken gemompel werd gehoord vanuit een hoek.

– Broeders! – een andere begon met een ietwat sterkere stem. – We moeten dit advies onmiddellijk volgen want we kunnen zo niet langer verdergaan. We hebben gezwoegd en ons afgepeigerd, maar alles was tevergeefs. We hebben zaden gezaaid die gebruikt konden worden voor voedsel, maar de overstromingen kwamen en hebben de zaden en grond weggewassen van de hellingen zodat er enkel naakte rots over was. Moeten wij hier eeuwig blijven en slaven van ochtend tot nacht gewoon om hongerig en dorstig, naakt en blootvoets te blijven? We moeten vertrekken en zoeken naar iets beter en meer vruchtbare grond waar hard werk zal leiden tot overvloedige oogst.

– Laten we gaan! Laten we nu vertrekken want deze plek is niet meer geschikt om in te leven!

Er ontstond gefluister, en ieder begon te wandelen zonder na te denken waar hij naartoe aan het gaan was.

– Wacht, broeders! Waar zijn jullie naartoe aan het gaan? – de eerste spreker begon opnieuw. – natuurlijk moeten we gaan, maar niet op deze manier. We moeten weten waar we naartoe gaan. Anders eindigen we nog in een ergere situatie in plaats van onszelf te redden. Ik stel voor dat we een leider kiezen die we allemaal moeten volgen die ons de beste en meest directe manier zal tonen.

– Laten we kiezen! Laten we meteen iemand kiezen, – werd overal gehoord.

Enkel nu begon het ruziemaken, een echte chaos. Iedereen was aan het praten en niemand was aan het luisteren of kon het zelfs horen. Ze begonnen zich op te splitsen in groepen, elke persoon tegen zichzelf aan het mompelen, en zelfs dan vielen de groepen uit elkaar. In paren begonnen ze elkaar bij de arm te nemen, al pratend, om te proberen iets te bewijzen, trekkend aan elk anders mouw, en gebarende om stilte met hun handen. Dan kwamen ze allemaal terug samen, nog steeds aan het praten.

– Broeders! – opeens weerklonk er een sterkere stem die alde andere hese, dulle stemmen overstemde. – We kunnen geen overeenkomst bereiken op deze manier. Iedereen is aan het praten en niemand is aan het luisteren. Laten we een leider kiezen! Wie van ons kunnen we kiezen? Wie onder ons heeft er genoeg gereisd om de wegen te kennen? We kennen elkaar allemaal goed, en toch zou ik mijzelf en mijn kinderen niet onder het leiderschap van iemand hier plaatsen. Liever, vertel me wie er die reiziger daar kent die al sinds vanmorgen in de schaduw aan de rand van de weg zat?

Stilte viel. Iedereen keerde zich naar de vreemdeling and bekeken hem van top tot teen.

De reiziger, van middelbare leeftijd met een somber gezicht, nauwelijks zichtbaar door zijn baard en lange haar, zat en bleef stil zoals daarvoor, diep in gedachten, en tikte zijn grote wandelstok op de grond van tijd tot tijd.

– Gisteren zag ik diezelfde man met een jongen. Ze hielden elkaar bij de hand en gingen de straat af. En gisteravond verliet de jongen het dorp maar de vreemdeling bleef hier.

– Broeder, laten we deze gekke kleinigheden vergeten zodat we geen tijd verliezen. Wie hij ook is, hij komt van ver aangezien niemand van ons hem kent en hij weet zeker de kortste en beste manier om ons te leiden. Het is mijn mening dat hij een zeer wijze man is want hij zit daar gewoon te denken in stilte. Iemand anders zou onze zaken al tien keer of meer onderzocht hebben of zou een gesprek begonnen zijn met ons, maar hij zit daar de hele tijd alleen, niets zeggend.

– Natuurlijk, de man zit daar stilletjes omdat hij over iets aan het nadenken is. Het kan niet anders dan dat hij zeer slim is, – gingen de anderen akkoord en ze begonnen de vreemdeling opnieuw te onderzoeken. Ze hadden elk een briljante eigenschap in hem ontdekt, een bewijs van zijn uitzonderlijke intelligentie.

Niet veel meer tijd werd er doorgebracht met discussiëren, dus uiteindelijk gingen ze akkoord dat het best zou zijn om hulp te vragen aan deze reiziger – die, volgens hen, gestuurd was door God om hen te leiden in de wereld om te zoeken naar een beter territorium en meer vruchtbare grond. Hij zou hun leider moeten zijn, en ze zouden luisteren naar hem en hem gehoorzamen zonder vragen te stellen.

Ze kozen tien mannen van hun groep die naar de vreemdeling toe moesten gaan om hun beslissing uit te leggen aan hem. Deze delegatie moest hem de miserabele stand van zaken tonen en hem vragen om hun leider te zijn.

Zodoende gingen de tien naar hem toe en bogen ze nederig hun hoofd. Eén van hen begon te praten over de onproductieve grond van het gebied, over de droge jaren en de miserie waarin ze zich allen bevonden. Hij sloot zijn verhaal af op de volgende manier:

– Deze condities dwingen ons ons thuis te verlaten en ons land en om de wereld in te trekken om een beter thuisland te vinden. Net op dit moment dat we eindelijk een akkoord bereiken, blijkt het dat God ons genade heeft geschonken, dat Hij jou naar ons toe heeft gestuurd – jij, een wijze en waardige vreemdeling – en dat je ons zal leiden en zal bevrijden van onze miserie. In naam van alle inwoners hier, vragen wij aan jou on onze leider te zijn. Waar jij naartoe gaat, wij zullen volgen. Jij kent de wegen en u bent zeker geboren in een gelukkiger en beter thuisland. Wij zullen luisteren naar u en al uw bevelen gehoorzamen. Gaat u, wijze vreemdeling, akkoord met het redden van zovele zielen van ondergang? Zal u onze leider zijn?

Gedurende deze vragende toespraak tilde de wijze vreemdeling nooit zijn hoofd op. De hele tijd bleef hij zitten in dezelfde positie als degene waarin ze hem gevonden hadden. Zijn hoofd was naar beneden gericht, hij was aan het fronsen, en hij zei niets. Hij tikte enkel zijn wandelstok op de grond van tijd tot tijd en – dacht na. Toen de toespraak gedaan was, mompelde hij nors en langzaam zonder van positie te veranderen:

– Dat zal ik!

– Kunnen we met u meegaan en zoeken naar een betere plek dan?

– Dat kunnen jullie! – ging hij verder zonder zijn hoofd op te tillen.

Er ontstond nu enthousiasme en er waren uitdrukkingen van appreciatie te zien, maar de vreemdeling zei geen woord als reactie.

De tien afgevaardigden vertelden het gezelschap over hun succes, en ze voegden toe dat ze nu zagen wat voor wijsheid deze man bezat.

– Hij bewoog zelfs niet van zijn plek of tilde zijn hoofd op om te zien we er tegen hem aan het praten was! Hij zat er enkel stilletjes en mediteerde. Als antwoord op onze toespraak en onze admiratie gaf hij maar zes woorden.

– Een echte wijze! Zeldzame intelligentie! – schreeuwden ze met blijdschap van alle kanten, bewerende dat God hemzelf de man als engel gestuurd had van de hemel om hen te redden. Ze waren allen compleet overtuigd van het succes van deze man als leider die door niets verstoord kon worden. En zo werd er besloten de volgende dag bij dageraad te vertrekken.

(volgende pagina)